Algemeen

Belastingplan 2021: gevolgen voor ondernemers

17 sep 2020

Op Prinsjesdag zijn de belastingplannen voor 2021 gepresenteerd aan de Tweede Kamer. Deze plannen zijn opgedeeld in een aantal afzonderlijke wetsvoorstellen die verschillende gevolgen hebben voor ondernemers in de inkomstenbelasting en ondernemers in een bv. In dit artikel sommen we de belangrijkste aandachtspunten voor je op.

Maatregelen voor ondernemers in de inkomstenbelasting

Heb je een eenmanszaak, vennootschap onder firma (vof), maatschap of commanditaire vennootschap? Dan betaal je jaarlijks belasting over de winst. Hieronder vind je de belangrijkste wijzigingen voor ondernemers in de inkomstenbelasting (ib-ondernemers).

Belastingtarieven inkomstenbelasting

Sinds 2020 kent de inkomstenbelasting slechts 2 tariefschijven. Het tarief in de eerste schijf van box 1 van de inkomstenbelasting is dit jaar (2020) 37,35% en gaat in 2021 iets omlaag. Het tarief van de tweede schijf blijft 49,5%. Zie de tabel hieronder.

Gecombineerd met de 14% mkb-winstvrijstelling zijn de effectieve tarieven dan in 2021:

  • basistarief: 31,91%
  • toptarief: 44,31%

Geleidelijke verlaging zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek wordt sneller en verder afgebouwd. De maximale zelfstandigenaftrek in 2021 is € 6.670 (2020: € 7.030). Vanaf 2021 wordt de zelfstandigenaftrek sneller afgebouwd dan in het Belastingplan 2020 was opgenomen. De zelfstandigenaftrek gaat in 8 stappen van € 360 (één stap van € 390 en 8 stappen van € 110) omlaag naar uiteindelijk € 3.240 in 2036.

Maatregelen voor bv’s en dga’s

Als ondernemer in de bv heb je te maken met 3 heffingen:

  • Inkomstenbelasting/loonbelasting over het dga-salaris
  • Vennootschapsbelasting over de (resterende) winst van de bv
  • Aanmerkelijk belangheffing (inkomstenbelasting) over uitkeringen van de nettowinst van de bv aan de aandeelhouders of over de winst bij verkoop van de aandelen

Hieronder lichten we toe welke veranderingen hiervoor van toepassing zijn.

Belastingtarieven inkomstenbelasting

De belastingtarieven die we hebben benoemd bij het onderdeel ‘Maatregelen voor ondernemers in de inkomstenbelasting’ gelden ook voor bv’s en dga’s. Het tarief in de eerste schijf van box 1 gaat in 2021 iets omlaag en het tarief van de tweede schijf blijft 49,5%.

Tarief aanmerkelijk belang box 2

Het tarief in box 2 is nu 26,25%. Vorig jaar was al bepaald dat het tarief per 2021 stijgt naar 26,9%. Deze stijging gaat door. Het tarief van 26,9% geldt voor voordelen uit aanmerkelijk belang, zoals het uitkeren van dividend van de bv aan de aandeelhouder (dga) in privé en de winst bij verkoop van aandelen.

Tip!

Door de verhoging van het tarief kan het voordelig zijn om in 2020 nog een dividenduitkering te doen. Wil je in 2020 een dividenduitkering doen en heb je gebruikgemaakt van de steunmaatregelen in verband met corona? Let dan goed op de voorwaarden. Bij bepaalde maatregelen mag je namelijk geen dividend uitkeren.

Belastingtarieven vennootschapsbelasting

Per 1 januari 2020 is het lage vennootschapsbelastingtarief van 19% verlaagd naar 16,5%. Het hoge tarief is 25% gebleven. Per 1 januari 2021 zouden de tarieven verder worden verlaagd. Het lage tarief wordt nu verlaagd naar 15%. De verlaging van het hoge tarief gaat niet door en blijft dus staan op 25%.

Verder worden de tariefschijven aangepast. Het tarief van 25% gaat in 2021 pas gelden bij winsten hoger dan € 245.000. In 2022 gaat het tarief gelden bij winsten hoger dan € 395.000. Daardoor ziet het plaatje er als volgt uit:

Innovatiebox

Innovatieactiviteiten worden momenteel onder bepaalde voorwaarden belast tegen 7% in de vennootschapsbelasting. Dit tarief stijgt in 2012 naar 9%. De innovatiebox is er om innovatief onderzoek door ondernemers fiscaal te stimuleren. Toegang tot de innovatiebox is mogelijk via S&O-verklaringen die je bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) kunt aanvragen voor speur- en ontwikkelingswerk.

Beperking verliesverrekening vennootschapsbelasting

Op dit moment kan een verlies 1 jaar achterwaarts en 6 jaar voorwaarts worden verrekend. Vanaf 2022 is het voornemen dat verliezen onbeperkt voorwaarts verrekenbaar zijn. De verliezen (zowel voorwaarts als achterwaarts) zijn tot een bedrag van € 1.000.000 aan belastbare winst verrekenbaar. Is de winst hoger? Dan zijn de verliezen slechts tot 50% van die hogere winst in een jaar verrekenbaar.

Let op!

Dit wetsvoorstel moet nog worden ingediend.

Excessief lenen (€ 500.000-regeling)

In juni is het wetsvoorstel ‘Excessief Lenen’ ingediend. Hiermee worden schulden van de dga van meer dan € 500.000 vanaf 31 december 2023 belast.

Als een dga samen met zijn/haar partner op 31 december 2023 een schuld heeft aan een bv waarin de dga (indirect) ten minste 5% van de aandelen houdt, wordt het bedrag boven € 500.000 belast als fictief regulier voordeel in box 2. Dit is dan belast tegen een tarief van 26,9%. Ook schulden van kinderen, kleinkinderen, ouders en grootouders worden belast als zij een schuld hebben van meer dan € 500.000. Dit geldt per familielid.

Eigenwoningschulden met hypotheekrecht of eigenwoningschulden die zijn aangegaan vóór 1 januari 2023 worden niet meegerekend.

Rekenvoorbeeld

Een dga heeft op 31 december een schuld van € 1.000.000 aan zijn bv. € 250.000 hiervan is een schuld voor de eigen woning, die al voor 1 januari 2023 is verstrekt. Het bedrag aan leningen dat meegerekend wordt voor het excessief lenen komt daardoor op € 750.000. De dga moet daarom over € 250.000 (€ 750.000 -/- € 500.000) 26,9% belasting betalen: € 67.250.

Als op een later moment dividend wordt uitgekeerd, wordt dit eerst verrekend met het fictief regulier voordeel. Er ontstaat dus geen dubbele belasting.

Maatregelen alle ondernemingen

Hieronder staan de belangrijkste wijzigingen die gelden voor alle ondernemingen.

Verduidelijking berekeningswijze kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)

Op dit moment blijkt onvoldoende uit de wettekst hoe de investeringsaftrek moet worden berekend als er sprake is van een onderneming die via een samenwerkingsverband, zoals een vof of maatschap, wordt gedreven.

Dit heeft geleid tot gerechtelijke procedures waarin de Hoge Raad uiteindelijk uitspraak deed. De Hoge Raad oordeelt dat eerst het bedrag van de investeringsaftrek op basis van het totaal aan investeringen moet worden berekend. Vervolgens heeft de ondernemer recht op een deel van deze investeringsaftrek, naar evenredigheid van zijn aandeel in het totaal aan investeringen.

De Hoge Raad heeft echter een uitzondering gemaakt op deze berekeningswijze. Als de investeringsaftrek op basis van het totaal aan investeringen uitkomt op het vaste maximumbedrag, heeft de ondernemer recht op dit maximumbedrag. In dat geval is dus geen sprake van een herberekening van de investeringsaftrek naar evenredigheid

Het kabinet vindt dit onwenselijk en wijzigt de investeringsaftrek zo dat de herberekening naar evenredigheid alsnog plaatsvindt. In het onderstaande voorbeeld leggen we uit wat dat precies betekent.

Rekenvoorbeeld

Een ondernemer maakt deel uit van een vof en heeft recht op 50% van de overwinst. Ook heeft hij buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. De vof heeft in een jaar € 40.000 geïnvesteerd. De ondernemer heeft dus € 20.000 (50% van € 40.000) in de onderneming geïnvesteerd. Daarnaast heeft de ondernemer € 60.000 in zijn buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen geïnvesteerd. Het totale investeringsbedrag is dan € 100.000. Hiervoor geldt het vaste maximumbedrag aan investeringsaftrek van € 16.307. Volgens de uitspraak van de Hoge Raad mag de ondernemer dit bedrag als investeringsaftrek claimen. Op grond van de voorgestelde wetswijziging wordt dit bedrag als volgt herberekend: (50% x € 40.000 + € 60.000) / € 100.000 x € 16.307 = € 13.046.

Tot slot heeft de wetgever duidelijk gemaakt dat de investeringsaftrek – in tegenstelling tot het oordeel van de Hoge Raad – per onderneming en niet per ondernemer moet worden berekend. Dit heeft gevolgen voor wie meerdere ondernemingen drijft. Het werkt dan als volgt.

Rekenvoorbeeld

Een ondernemer heeft 2 ondernemingen: een fietsenhandel en een manege. In een jaar investeert hij in beide ondernemingen € 40.000, in totaal dus € 80.000. In dat geval bedraagt de investeringsaftrek volgens de Hoge Raad het vastgestelde maximumbedrag van € 16.307. Volgens de wetgever moet de investeringsaftrek per onderneming worden vastgesteld. De investeringsaftrek per onderneming is 28% x € 40.000 = € 11.200. De ondernemer mag hierdoor in totaal 2 x € 11.200 = € 22.400 aan investeringsaftrek claimen.

Baangerelateerde Investeringskorting (BIK)

Vanaf 2021 wordt het voor bedrijven aantrekkelijker om te investeren via een Baangerelateerde Investeringskorting (BIK). Als bedrijven investeringen doen in bedrijfsmiddelen, dan mogen zij een percentage van die investeringen in mindering brengen op de af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen. De verdere details maakt het kabinet op een later tijdstip bekend.

Uitbreiding renteaftrekbeperking leningen van verbonden personen

Als een vennootschap een lening ontvangt van een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon (bijvoorbeeld een aandeelhouder), is de verschuldigde rente hierop onder omstandigheden niet aftrekbaar. Dit geldt bijvoorbeeld als de lening verband houdt met de verwerving van een deelneming, een winstuitdeling of een kapitaalstorting. Schulden waarvan de rente niet aftrekbaar is, heten ‘kwalificerende schulden’.

In 2 gevallen zijn de rentes wel aftrekbaar:

  • als de lenende vennootschap kan aantonen dat de schuld is aangegaan onder zakelijke voorwaarden.
  • als de betaalde rente bij de ontvanger is belast tegen een tarief van minimaal 10% en niet wordt gebruikt om te verrekenen met verliezen of andere aanspraken op belastingvermindering. Hieronder vallen ook kosten en valutaresultaten die betrekking hebben op de lening.

Om de hoogte van de uitgesloten rente vast te stellen, worden momenteel alle kwalificerende schulden bij elkaar opgeteld. Betaalde rentes (en valutaverliezen) leiden tot een lagere winst en ontvangen rentes (en valutawinsten) leiden tot een hogere winst. Als de ontvangen rentes hoger zijn dan de betaalde rentes, verhoogt dit de winst.

Dit is bijvoorbeeld het geval als de valutawinst op lening 1 meer bedraagt dan de verschuldigde rente op de leningen 1 en 2 gezamenlijk. Als de aftrek van rente in dit geval wordt uitgesloten, krijgt de vennootschap in feite een vrijstelling voor het positieve saldo.

Met het huidige wetsvoorstel is het niet langer mogelijk dat toepassing van de renteaftrekbeperking op grond van de wet vennootschapsbelasting leidt tot een lagere winst. Per kwalificerende schuld moet namelijk worden beoordeeld of uitsluiting van renteaftrek leidt tot een lagere winst. Als het saldo van de kwalificerende schuld positief is, geldt voor deze schuld geen renteaftrekbeperking en wordt deze dus niet meegenomen bij de berekening van het gezamenlijke saldo van alle kwalificerende schulden. De vrijstelling voor het positieve saldo vervalt daarmee.

Verrekening voorheffingen in vennootschapsbelasting

Dividendbelasting en kansspelbelasting zijn voorheffingen op de vennootschapsbelasting. Deze kun je in de aangifte vennootschapsbelasting verrekenen met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Als de fiscale winst nihil of negatief is, krijg je de betaalde dividend- en/of kansspelbelasting uitbetaald.

Het niet uitbetalen van Nederlandse dividend- en kansspelbelasting aan buitenlandse bedrijven is op grond van recente Europese jurisprudentie mogelijk in strijd met Europees recht. Buitenlandse entiteiten die niet vennootschapsbelastingplichtig zijn in Nederland, maar wel Nederlandse dividend- of kansspelbelasting verschuldigd zijn, hebben namelijk niet de mogelijkheid om deze belastingen te verrekenen of terug te vorderen.

Daarom wil het kabinet vanaf 1 januari 2022 de verrekening van dividend- en kansspelbelasting voor Nederlandse bedrijven beperken tot de verschuldigde vennootschapsbelasting. Het is dan niet langer mogelijk om deze belastingen uitbetaald te krijgen.

Om de mogelijke strijdigheid met het EU-recht te voorkomen, wordt binnenkort een beleidsbesluit gepubliceerd waarin is goedgekeurd dat buitenlandse entiteiten onder voorwaarden recht hebben op teruggaaf van dividend- en kansspelbelasting. Dit beleidsbesluit zal geldig zijn tot de wet in 2022 wordt gewijzigd.

Invoering Wet bronbelasting 2021

Momenteel heft Nederland geen bronbelasting op uitgaande rente- en royaltystromen. Hierdoor kunnen Nederlandse vennootschappen worden ingezet voor doorstroomactiviteiten naar landen met een laag belastingtarief. Met het wetsvoorstel ‘Wet bronbelasting 2021’ wil het kabinet deze vorm van belastingontwijking tegengaan.

Wanneer een onderneming is gevestigd in een laagbelastend land en rentes of royalty’s ontvangt van een gelieerde Nederlandse partij, dan is deze ontvangende onderneming belastingplichtig voor de Wet bronbelasting 2021. Een land is laagbelastend als de winstbelasting minder bedraagt dan 9% of als het land is opgenomen in de geldende EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

Het tarief voor de bronheffing is het hoogst toepasbare tarief voor de vennootschapsbelasting: 25% vanaf 2021.

De vennootschap die een kwalificerend belang heeft in de laagbelaste dochtermaatschappij is inhoudingsplichtige voor de bronbelasting. Zij moet vanaf 1 januari 2021 uiterlijk op 31 januari 2022 aangifte doen en de bronbelasting afdragen over de rente en royalty’s die in 2021 zijn betaald aan deze dochtermaatschappij. De Wet bronbelasting geldt op dezelfde manier voor een buitenlandse vestiging van een onderneming, de zogenoemde vaste inrichting.

Werkkostenregeling - beperking vrije ruimte bij loonsom vanaf € 400.000

Per 1 januari 2020 is bij de vrije ruimte van de werkkostenregeling sprake van een tweeschijvenstelsel:

  • Tot een loonsom van € 400.000 is de vrije ruimte 1,7% (in 2020 is dit tijdelijk 3%)
  • Vanaf € 400.001 is de vrije ruimte 1,2%

Vanaf 2021 wordt het percentage van 1,2% verlaagd naar 1,18%. Het tarief in de eerste schijf blijft 1,7%.

Gerichte vrijstelling voor omscholing

Door de huidige crisis benadrukt het kabinet het belang van scholing nog sterker. De gerichte vrijstelling voor scholing gaat vanaf 2021 ook gelden bij vergoedingen en verstrekkingen voor scholing die voortvloeit uit vroegere arbeid. Dit betekent dat werkgevers vanaf 2021 scholingskosten van ex-werknemers onbelast kunnen vergoeden. Nu worden de scholingskosten gezien als loon uit vroegere dienstbetrekking en moet de werkgever hierover loonheffing afdragen. Deze verruiming geldt voor vergoedingen en verstrekkingen voor het volgen van een opleiding of studie met het oog op het genereren van inkomen.

Meer weten naar aanleiding van Prinsjesdag 2020?

Wil je meer weten naar aanleiding van Prinsjesdag 2020 of over wat de belastingplannen betekenen voor jouw situatie? Countus adviseert je graag. Neem contact op met je adviseur.